Actueel

Samenleven als antwoord op overleven: Ben Sajet Conferentie 2026 over gemeenschappen, zorg en inclusie

Hoe organiseer je een samenleving waarin mensen zich gezien blijven voelen, ook wanneer ze ouder worden, zorg nodig hebben of buiten de norm vallen?

Tijdens de vierde Ben Sajet Conferentie 2026 in het H’ART Museum stond die vraag centraal. Met bijdragen van onder anderen Teun Toebes, onderzoekers, bestuurders, sociaal werkers en initiatiefnemers van woonvormen werd besproken hoe gemeenschappen kunnen bijdragen aan menswaardigheid, inclusie en kwaliteit van leven. Tegelijkertijd ging het ook over de spanning die samenleven met zich meebrengt: over autonomie, uitsluiting, verschil en de vraag wie eigenlijk mee mag doen.

Dagvoorzitter Pieter Hilhorst opende de middag met een ogenschijnlijk eenvoudige vraag: “Van hoeveel gemeenschappen ben je eigenlijk lid?” Daarmee zette hij direct de toon voor een conferentie waarin gemeenschap niet als abstract begrip werd besproken, maar als iets dat raakt aan het dagelijks leven van iedereen. Ook Inge Borghuis benadrukte in haar opening het belang van kleinschaligheid en verbondenheid. 

Niet de indicatie, maar de relatie

De keynote van Teun Toebes vormde het hart van de conferentie. Vanuit zijn ervaringen op gesloten afdelingen in verpleeghuizen stelde hij fundamentele vragen over hoe we wonen, zorg en samenleven organiseren. Volgens Toebes zegt de omvang van een gemeenschap weinig over de kwaliteit ervan. Samenleven draait niet om voortdurend actief contact, maar om een gevoel van geborgenheid, erkenning en erbij horen. Hij pleitte voor een samenleving waarin niet de indicatie, maar de relatie centraal staat.

Daarbij stelde hij kritische vragen over systemen die vooral gericht zijn op veiligheid, controle en risicobeperking. Gesloten afdelingen, hekken en sterk gereguleerde omgevingen kunnen volgens hem juist afstand creëren tussen bewoners en de samenleving. Met voorbeelden uit onder meer Denemarken, Noorwegen en Slovenië liet hij zien dat andere woonvormen mogelijk zijn, waarin meer ruimte is voor autonomie, ontmoeting en dagelijks samenleven. Zijn afsluitende boodschap bleef hangen: “Samenleven is het enige antwoord op overleven.” 

Van systeemwereld naar leefwereld

In gesprekken met wethouder Alexander Scholtes en Souhail Chaghouani (Raad van Bestuur, Amsta) kwam naar voren hoe ingewikkeld het is om deze idealen in de praktijk vorm te geven. Er werd gesproken over de spanning tussen efficiëntie en menselijkheid, tussen systemen gebaseerd op controle en de wens om inclusiever samen te leven. Chaghouani benadrukte dat dit vraagt om een andere leiderschapsstijl en organisaties die zichzelf niet centraal stellen, maar ten dienste staan van samenleven. Volgens hem sturen organisaties nog vaak op efficiëntie en schaalbaarheid, soms ten koste van autonomie en menselijkheid. Dat zit ook in kleine dagelijkse keuzes. “Zelfs hetzelfde ontbijt of dezelfde koffie wordt soms niet meer gevraagd”, vertelde hij. Volgens Chaghouani vraagt dat om een fundamentele verandering in denken.

Ook kwam de vraag naar voren hoe publieke middelen worden ingezet. Scholtes benadrukte dat overheden nieuwe woonvormen wel willen faciliteren, maar tegelijkertijd steeds moeten aantonen dat investeringen leiden tot minder zorggebruik of lagere kosten. Juist daar wringt het volgens meerdere sprekers: kwaliteit van leven laat zich niet altijd vangen in meetbare effecten of kosten-batenanalyses. 

Gemeenschap ontstaat niet vanzelf

Onderzoekers Jante Schmidt en Saskia Welschen presenteerden inzichten uit onderzoek naar de Amsterdamse Lang Leven Thuisflats. In deze woonvormen wonen ouderen zelfstandig, met gezamenlijke ruimtes, activiteiten en ondersteuning van een langer-thuiscoach als vast aanspreekpunt. De belofte daarachter is dat er meer gemeenschap en onderlinge burenrelaties ontstaan.

Hun onderzoek liet zien dat zulke woonomgevingen kansen bieden voor contact en onderlinge steun, maar dat gemeenschapsvorming niet vanzelf ontstaat. Bewoners ervaren soms angst voor afwijzing of verlies van autonomie. Verbinding kan prettig zijn, maar ook voelen als een verplichting of omslaan in sociale controle.

Een van de belangrijkste conclusies was dat bewoners best naar elkaar willen omzien, maar niet “er alleen voor willen staan”. Professionele ondersteuning blijft daarom cruciaal, net als actieve bewoners die verbindingen in een flat helpen ontstaan. Ook het toewijzingsbeleid kwam nadrukkelijk aan bod. Nu geldt vaak vooral leeftijd als criterium, terwijl volgens de onderzoekers juist een mix van bewoners, motivatie en binding met de buurt kunnen bijdragen aan sterkere gemeenschappen. Bijvoorbeeld door ouderen uit de directe omgeving voorrang te geven of bewust ruimte te maken voor bewoners die actief willen bijdragen aan het samenleven in de flat.

Wie hoort erbij, en wie niet?

In gesprekken met Asha Ramkisoensing en Jeanny Vreeswijk Manusiwa stond de vraag centraal wie eigenlijk onderdeel wordt van gemeenschappen, en wie niet.

Asha Ramkisoensing benoemde dat er in beleid en zorg nog vaak vanuit een westerse, individualistische blik naar samenleven wordt gekeken. Daardoor blijven andere vormen van gemeenschap en verbondenheid soms onderbelicht. Volgens haar vraagt samenleven wederkerigheid: niet alleen aanpassen aan bestaande structuren, maar ook ruimte maken voor andere perspectieven, geschiedenissen en waarden.

Ze wees erop dat sommige groepen minder zichtbaar blijven omdat zij minder snel op de voorgrond treden of hun behoeften uitspreken. Uitsluiting ontstaat daardoor niet altijd expliciet, maar kan ook subtiel plaatsvinden.

Ook Jeanny Vreeswijk Manusiwa benadrukte dat gemeenschapsvorming begint bij aandacht voor dagelijkse verhalen, familiebanden en cultuur. Daarbij verwees zij naar het Molukse begrip ‘ojale’, waarin verbondenheid centraal staat: tussen familie, gemeenschap, natuur en omgeving. Volgens haar laat dat zien dat gemeenschapszin in sommige niet-westerse culturen veel dieper verweven is in het dagelijks leven dan in de Nederlandse samenleving vaak het geval is. 

Samenleven schuurt soms

Tijdens het panelgesprek gingen Monique Kuik, Gonca Yalçiner en opbouwwerker Mariëlle Kleyn Winkel in gesprek over de rol van sociaal werk in gemeenschapsvorming.

De panelleden benadrukten dat investeren in sociaal werk essentieel blijft in een samenleving waarin verschillen kunnen verharden en niet iedereen dezelfde kansen heeft om mee te doen. Gonca Yalçiner wees op het belang van tijd, relaties en aandacht voor identiteit. Mariëlle Kleyn Winkel benadrukte dat samenleven soms ook ongemakkelijk mag zijn en dat professionals niet te snel moeten willen oplossen. Monique Kuik onderstreepte daarnaast dat sociaal werk juist draait om contact, vertrouwen en aandacht voor mensen, voorbij de grenzen van afzonderlijke domeinen. 

Gemeenschappen ontstaan niet uit efficiëntie

Ook Stijn van Kreij sloot daarop aan met zijn verhaal over The Butterfly Effect en nieuwe woonvormen waarin verschillende generaties, buurtbewoners en mensen met een zorgvraag samenleven.

Van Kreij vertelde hoe in de langdurige zorg samenwerking vaak wordt georganiseerd vanuit efficiëntie en systemen, terwijl echte gemeenschappen juist ontstaan vanuit gedeelde waarden, wederkerigheid en dagelijkse ontmoeting. In projecten zoals Zuiderschans worden daarom bewust verschillende groepen bewoners samengebracht.

Aan de hand van vier thema’s liet hij zien wat volgens hem essentieel is voor gemeenschapsvorming: verbinding, waardering, toeval en “gedoe”. Volgens Van Kreij wordt samenleven te vaak georganiseerd als een transactie, terwijl gemeenschap juist draait om gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Ook pleitte hij ervoor om minder te sturen op controle en meetbare impact, en meer ruimte te laten voor spontane ontmoetingen en het dagelijks leven. Tot slot benadrukte hij dat frictie en ongemak onvermijdelijk zijn in gemeenschappen. Juist dat “gedoe” kan volgens hem ook een teken zijn van betrokkenheid en een levende gemeenschap.

Samenleven is geen extra ambitie

De conferentie maakte duidelijk dat gemeenschappen niet vanzelf ontstaan. Ze vragen aandacht, tijd, professionele ondersteuning en vooral de bereidheid om anders te kijken naar zorg, wonen en samenleven.

Tegelijkertijd werd zichtbaar hoe sterk veel systemen nog zijn ingericht op controle, efficiëntie en afzondering, terwijl de maatschappelijke opgaven van deze tijd juist vragen om verbinding, wederkerigheid en inclusie. Misschien was dat wel de belangrijkste conclusie van de middag: samenleven is geen extra ambitie naast zorg en welzijn, maar de basis ervan.

Veelgezochte pagina’s